Wilde dieren in hotelkamers

In zijn ‘installatie met kleurenvideo’ Migration (2008) laat de Amerikaan Doug Aitken (1968) wilde dieren los in hotelkamers en filmt ze. Deze beelden worden afgewisseld met opnames van grote groepen migrerende dieren in hun natuurlijke omgeving. De tegenstelling is groot. Ik kan de beelden van de opgesloten, soms wat radeloze dieren niet goed verdragen. Realiseer me hoezeer wij mensen hun habitat hebben aangetast, hun natuurlijke leefomgeving hier in Nederland hebben teruggebracht tot geïsoleerde lapjes, die vaak niet meer dan een paar voetbalvelden groot zijn.

GRAV, Julio Le Parc & Belvédère o.a.

‘To eliminate the category “Work of Art” and its myths.’ – Pamflet Groupe de Recherche d’Art Visuel, 1961

image

GRAV & Julio Le Parc
Al jaren lees ik geregeld in de meer dan 1200 bladzijden tellende pil Art in Theory 1900-2000: An Anthology of Changing Ideas, samengesteld onder redactie van Charles Harrison en Paul Wood. Dit boek geeft middels teksten van kunstenaars, critici en filosofen een overzicht van de theorieën die de ontwikkelingen binnen de beeldende kunst gedurende de vorige eeuw schragen.

Jarenlang heb ik op een behoorlijk niveau getekend en geschilderd (ik heb tweemaal overwogen om naar de kunstacademie te gaan), totdat ik rond mijn vijfendertigste opnieuw werd gegrepen door de poëzie. Sindsdien heb ik nauwelijks meer een potlood of penseel aangeraakt. Wellicht keert de behoefte nog eens terug. Maar mijn belangstelling voor de beeldende kunst heb ik nooit verloren. Ik ga nog altijd regelmatig naar musea en houd ontwikkelingen bij.

In Art in Theory lees ik het pamflet ‘Enough Mystification’, dat de ‘Groupe de Recherche d’Art Visuel’ (GRAV) in 1961 tijdens hun eerste groepstentoonstelling uitgaf. De groepsleden wilden de beeldende kunst ‘bevrijden’ van knellende traditionele banden. Deze doelstelling leidt in het pamflet tot ‘proposities’ als:

Het zoeken naar nieuwe wijzen van contact tussen publiek en de geproduceerde werken.
Het creëren van reproduceerbare werken.
Het zoeken naar nieuwe genres buiten de schilder- en beeldhouwkunst.
Het beperken van het werk tot een strict visuele situatie.

Het moet anders, is het modernistische credo van GRAV. Een van de meest vooraanstaande leden van dit collectief, dat in 1968 uiteenvalt, is de Argentijnse kunstenaar Julio Le Parc (1928), die vooral om zijn lichtobjecten wordt geroemd. Maar hij fabriceert ook andere intrigerende werken, zoals het filmpje hieronder laat zien.

Belvédère
Vanmiddag anderhalf uur doorgebracht in het kleine, maar mooi gehuisveste Museum Belvédère, dat net buiten Heerenveen ligt. ‘Het museum toont twintigste eeuwse en eigentijdse beeldende kunst uit Friesland in directe relatie tot beeldende kunst uit Nederland en Vlaanderen. Het accent ligt op schilderkunst die relaties aangaan met de omliggende landschappelijke sfeer.’

Het werk van de Duitse figuratieve kunstenares Käthe Kollwitz (1867-1945), dat tot eind september te bewonderen valt, kende ik nog niet. Vooral haar uitgelezen zelfportretten in houtskool, waar de tragedie van afdruipt (een van haar twee zoons sneuvelde in de Eerste Wereldoorlog en de nazi’s dwongen Kollwitz haar functie aan de kunstacademie van Berlijn neer te leggen en verboden haar te exposeren), vind ik indrukwekkend.

Bij het werk van de Nederlandse kunstenaar René Korten (1957), te gast deze zomer in Belvédère, blijven mijn metgezel, een ex-galeriehouder, en ik ook wat langer stilstaan. Omdat we er geen vat op kunnen krijgen. ‘Tja,’ zeg ik, ‘je probeert eens wat als kunstenaar …’ ‘De lusteloosheid,’ antwoordt mijn metgezel, ‘druipt er vanaf.’ Het werk kan ons niet bekoren. Het lijkt exemplarisch voor de impasse waarin de hedendaagse beeldende kunst zich bevindt: er valt niks nieuws meer te verzinnen, wat nu? Maar oordeel zelf.

image
’12 werken uit de serie Hope Road’, René Korten, acrylverf op mdf, 2011-2014

Art in Theory 1900-2000: An Anthology of Changing Ideas, red. Charles Harrison en Paul Wood, Blackwell Publishing, 2003: via bol.com.

Het ‘gat’ tussen kunst en het leven

‘The passionate adventure of the real perceived in itself and not through the prism of conceptual or imaginative transcription.’ – Manifest Nouveau Réalisme, 1960

Waarom zou je een tafel waaraan zojuist gegeten is, nog vol vuile schalen, borden en glazen, bestempelen tot een kunstwerk en tentoonstellen in een museum? De Zwitserse kunstenaar Daniel Spoerri (1930) deed dat, in een poging om het ‘gat’ tussen kunst en het leven te dichten, al meerdere malen. Hij wil zich direct met de werkelijkheid bezighouden, en dan vooral met de massaconsumptie en massamedia die onze huidige werkelijkheid zo kenmerken.

Op zoek naar totale vrijheid

Voor de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni (1933-1963) hoefde een kunstwerk ‘niets te zeggen, alleen maar te zijn.’ Hij vond suggestie, expressie en representatie niet langer vraagstukken van zijn tijd. Met het oog op totale vrijheid, zei Manzoni, diende materie in pure energie te worden omgezet. In zijn ‘achromatische’ werken wilde hij het gebruikte materiaal (Chinese klei, katoen, vilt, glasvezel, polystyreen onder andere, al dan niet op een canvas doek verwerkt) eerst en vooral zichzelf laten zijn. Telkens als ik naar bovenstaand filmpje kijk, zou ik het kunstwerk willen aanraken, strelen haast, zoveel aantrekkingskracht oefent dit werk op mij uit. I love it!

Preiquiche

Als ik in mijn koelkast restjes kaas, overgebleven van een feestje, en enkele stronken prei aantref, is het besluit tot het maken van een quiche snel genomen. Bovendien past een afgekoelde quiche ook nog eens goed bij het warme weer vandaag!

De quiche, waarvan de quiche lorraine (met room en spek) de bekendste is, komt oorspronkelijk uit het gebied Lotharingen, dat door de eeuwen heen afwisselend in Duitse en in Franse handen is geweest. Tegenwoordig maakt de regio weer deel uit van Frankrijk en heet Lorraine. Mijn preiquiche is grotendeels gebaseerd op het recept dat te vinden is in De kunst van het koken: Alle technieken en bereidingswijzen: Alle hoogtepunten uit de Franse keuken, Julia Child, Simone Beck & Louisette Bertholle, Uitgeverij Kosmos, 1983.

Preiquiche:

500 g prei
1 dl water
1 theelepel zout
3 eetlepels boter
1 ons ontbijtspek
5 plakjes quichedeeg
3 eieren
3,5 dl slagroom
snufje nootmuskaat
mespunt peper
30 g geraspte kaas
1 eetlepel boter

Verwarm de oven voor tot 190 ºC. Bak de prei enkele minuten in de boter. Doe het water erbij en smoor met half gesloten deksel op half hoog vuur tot het water bijna verdampt is. Draai het vuur lager en laat de prei met gesloten deksel 20-30 minuten zachtjes stoven.

Snijd het ontbijtspek in reepjes en blancheer de reepjes 5 min in ruim water. Spoel ze af onder de koude kraan en dep ze droog met keukenpapier. Bak de reepjes in een koekenpan lichtbruin en leg ze op de voorgebakken (8-9 min) taartbodem.

Klop eieren, room en kruiden in een mengkom (ik voeg hier wat extra restjes kaas aan toe, maar dat hoeft niet). Roer geleidelijk de prei erdoor. Het mengsel met peper en zout op smaak brengen en over de taartbodem met spek verspreiden. Strooi de kaas erop en verdeel de boter erover. Bak de quiche in het bovenste deel van de voorverwarmde oven tot hij is gerezen en bruin geworden. Heerlijk met een salade en een glas witte wijn erbij!

image.jpeg

Nolens’ intimiteiten

image

Waarom zou je je intimiteiten, je vertrouwelijkheden – dat wat niet voor openbaarheid bestemd is – aan heel Nederland en Vlaanderen openbaren? Voor Leonard Nolens blijkt de publicatie van zijn dagboeken o.a. een vlucht uit de eenzaamheid – de stilte van zijn schrijverskot – te zijn. Wat mij toch als een geromantiseerde argumentatie voorkomt. Op 12 januari 1988 schreef hij:

‘De dagboekschrijver leert van andere dagboekschrijvers zijn intimiteit te formuleren. Zij reiken hem de vormen aan – en de mogelijkheden van het ogenschijnlijk vormloze – waarbinnen hij zijn vluchtigheid gestalte kan geven. Zij hebben hem bijgebracht dat tien jaar aantekeningen, ondanks hun twijfels en versplintering, als boek een organische eenheid kunnen bezitten. Zonder die toekomstige troost zou jij waarschijnlijk niet meer de moed bezitten om hier te luisteren naar wat de seconden je dicteren. Je gaat hier ook mee door in de hoop ooit jezelf onder ogen te krijgen in aanwezigheid van anderen. Dat níéts van deze aantekeningen tijdens je leven zou verschijnen is een wel zeer eenzame gedachte. Maar het voornaamste blijft, jezelf te dwingen tot denken en formuleren, dag in dag uit.’

Dagboek van een dichter 1997-2007, Leonard Nolens, Querido, 2009: via bol.com.

Geen blijvende waarde

De Amerikaanse kunstenaar Allan Kaprow (1927-2006) was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw een belangrijke pionier op het gebied van de happening. Hij wilde kunst maken die zich voltrok in het hier en nu, vergankelijke kunst die ook buiten de museale ruimte ten uitvoer kon worden gebracht, kunst die aansloot bij de ervaringen van alledag. Kaprow wilde met zijn werken ‘gewoontes vervangen door de spirit van exploratie en experiment.’

Gillend water

De Japanse kunstenaar Sadamasa Motonoga (1922-2011) behoorde tot de zogenaamde Gutai groep (zie ook vorig bericht), die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw actief was en speurde naar het ‘oorspronkelijke karakter’ van het materiaal waarmee men werkte. Of, zoals Jirô Yoshihara (1905-1972) het in het ‘Gutai Manifesto’ omschreef:

‘We shall hope that a fresh spirit will always blow at our Gutai exhibitions and that the discovery of new life will call forth a tremendous scream in the material itself.’

Ik vind dat Motonoga hier met zijn installatie ‘Work (Water)’ wonderwel in geslaagd is.